Algemene informatie
Verkeerstellingen
Dinaf, voluit Dinaf Traffic Control b.v., houdt zich bezig met verkeerstellingen in de ruimste zin van het woord. Het tellen van verkeer onderscheidt zich grofweg in drie categorieën: inductielussen, telslangen, en visuele tellingen. De manier waarop gegevens verzameld worden onderscheidt zich weer in twee categorieën: tellen en classificeren.
Inductielussen
Voor permanente meetlokaties worden meestal inductielussen, ook wel detectielussen genoemd, toegepast. In het wegdek bevinden zich enkele wikkelingen draad, die een spoel vormen. Op een paal aan de wegkant staat een telkast die een zwak, snel wisselend magnetisch veld opwekt in de lussen. Door de aanwezigheid van een groot metalen object boven de lus wordt dat veld verstoord en kan een voertuig gedetecteerd worden door de computer in de telkast.
Telslangen
Voor tijdelijke meetlokaties worden telslangen toegepast. Over het wegdek worden natuurrubberen slangen licht opgespannen. Ze worden aan de wegkant vastgemaakt met spijkers, pluggen of speciale grondankers. De lucht die uit de slangen wordt gedrukt door een passerend voertuig komt in de telkast bij een druksensor, en de ingebouwde computer registreert zo elke drukpuls.
Visuele tellingen
In verkeerssituaties waar bovenstaande technieken niet de juiste nauwkeurigheid opleveren, kan visueel worden geteld. Dit wordt gedaan door bijvoorbeeld studenten, die langs de weg een handteller bedienen. Met name drukke kruisingen en verkeerspleinen zijn zo perfect in kaart te brengen. Dinaf voert zelf geen visuele tellingen uit. Wel levert Dinaf apparatuur en software om dit mogelijk te maken.
Tellen
Bij het tellen van aantallen voertuigen wordt elk uur (of ander gekozen interval) het getelde aantal opgeslagen in het geheugen van de telkast. Bij lussen is dit het aantal voertuigen, bij slangen het aantal assenparen, waarbij een personenauto als "1" wordt geteld, en een vrachtwagen met vier assen als "2". De telkast is meestal een SCC.
Classificeren
Door twee lussen of slangen achter elkaar te leggen kan door middel van het tijdverschil de snelheid en de lengte van het voertuig bepaald worden. Bij classificatie worden de gemeten snelheden en lengtes ingedeeld in klassen. Deze klassen worden bepaald door grenzen op te geven, bijvoorbeeld alle voertuigen die tussen 30 en 40 km/u rijden en tussen 2,0 en 3,5 meter lang zijn worden apart geteld. Een veel toegepaste 24-klassen-indeling voor binnen de bebouwde kom is snelheidsgrenzen op 20, 30, 40, 50, 60, 70 en 80 km/u en lengtegrenzen op 3,5 en 7,0 meter. Ook nu wordt elk uur (of een ander gekozen interval) elke getelde klasse opgeslagen in het geheugen van de telkast. Bij classificatie met slangen is de telkast vrijwel altijd een SCCL. Bij detectielussen wordt meestal een SCA of SCA2 toegepast.
Verkeerstelgegevens
De telgegevens die in het geheugen van de telkast zitten, worden regelmatig door een monteur ter plaatsen uitgelezen. Veel permanente meetlokaties zijn echter voorzien van een (GSM-)modem en een zonnepaneel en kunnen op afstand uitgelezen worden, en zo jarenlang autonoom gegevens verzamelen.
